De zin (en onzin) van een kunstopleiding

Ben je kunstenaar, of kan je het worden? Die vraag duikt bijna altijd op zodra het over kunstopleidingen gaat — en ze is lastiger dan ze op het eerste gezicht lijkt. Enerzijds kan geen enkele opleiding jouw stijl bepalen: die moet je, als kunstenaar, vanuit jezelf ‘leren’ ontwikkelen. Een opleiding die je leert je stijl te bepalen, leidt tot een contradictie — net als jezelf plooien naar een stijl die wordt aangeleerd. In kunst zouden geen dogma’s mogen bestaan, al is dat historisch gezien een relatief nieuwe stelling. Anderzijds raak je zonder basiskennis — al was het maar inzicht in het potentieel van materialen, of het onderzoeken van licht en kleur — ook niet verder… Je kan wel degelijk leren kijken naar de voorgeschotelde werkelijkheid en die vertalen naar iets dat voor jou geldt. In die zin heeft een opleiding zoveel te bieden, of je nu als kunstenaar geboren bent of niet.

Voor de Britse kunstenares Jessie Makinson was de kunstopleiding alvast een wezenlijke ontdekking. Ze volgde die niet aan de klassieke academies, weliswaar, maar wat ze er leerde geldt vermoedelijk breder voor kunstonderwijs. In dit innemende interview vertelt ze hoe ze er leerde kijken: niet zomaar door te observeren, maar door erover te spreken met leraren en medestudenten — discussies die haar nieuwe inzichten bijbrachten.

De academie waar ze les volgde, zette ook in op het ontwikkelen van nieuwe interesses, via analyses van grote en kleine stromingen uit de kunstgeschiedenis. Die kennis dient als bagage, maar niet noodzakelijk rechtstreeks als inspiratiebron, zo geeft Jessie aan. Haar bewondering voor Renaissancekunstenaars steekt ze niet onder stoelen of banken, maar je zou ze slechts met grote moeite in haar werk terugvinden. Tegelijk leerde ze islamitische miniaturen begrijpen, die dan weer wél een zichtbaar spoor nalieten. ‘Invloed’ is een woord met meerdere lagen. Voor haar gaf het richting aan haar denken: in het begrijpen hoe een beeld wordt geconstrueerd, hoe compositie en schaduw een verhaal kunnen vertellen — al deed ze daar uiteindelijk haar eigen ding mee.

Het belangrijkste dat haar opleiding haar uiteindelijk bijbracht, is het leren begrijpen van een beeld. De eenvoudig lijkende oefening om een beeld na te tekenen — iets wat ze regelmatig deed bij een museumbezoek — leert je hoe het ‘werkt’: hoe een andere kunstenaar nadacht over een beeld en die gedachten wist te vertalen, tot de taal in het beeld samenvalt met de taal van de maker.

Hoe eenvoudig het ook klinkt, het is het niet, weet ik ondertussen uit ervaring. Begeleiding is, net als continu oefenen, noodzakelijk — al kan van daaruit een eigen taal worden ontwikkeld. Op die fijne scheidslijn bevindt zich de kunstopleiding, zo te horen: als stimulator zonder dogma, als richtinggever zonder afbakening, als begeleider zonder oordeel — wezenlijk, maar enkel als uitgangspunt. Een kunstopleiding lijkt pas succesvol wanneer ze zichzelf uitwist, hoewel ze altijd blijft nazinderen.


Comments

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *