Marc-Olivier Wahler, een museumdirecteur niet als de anderen

De rol van musea is al sinds hun ontstaan een onderwerp van controverse. Al vroeg werd het Louvre bijvoorbeeld geconfronteerd met de existentiële vraag of het enkel een overzicht moest bieden van het bestaande kunstcanon, of een breder spectrum moest bieden van kunststromingen, inclusief actuele kunst, en kunst die niet noodzakelijk door iedereen als dusdanig werd aanzien. De laatste decennia voelen musea allerhande echter meer dan ooit de druk om te innoveren. De budgettaire kostprijs van een museum weegt in het debat jammer genoeg zwaarder door dan de intrinsieke waarde ervan, en dus moeten musea alles uit de kast halen om deze waarde aan een zo breed mogelijk publiek duidelijk te maken. Het exclusieve en elitaire moet er, althans volgens sommigen, uitgebaggerd worden. Vandaar de blockbuster-expo’s die elke maand wel lijken te verschijnen, maar ook de talrijke pogingen van musea om het museum te ‘democratiseren’, lees: aantrekkelijk te maken voor het brede publiek. Gratis museumnachten, didactische activiteiten en ruimtes gereserveerd voor artistieke initiatieven allerhande, ze behoren intussen tot het standaardrepertorium van nagenoeg elk museum. Maar sommige directeurs gaan nog een stapje verder, en herdenken het hele concept museum, of rukken het alleszins los van haar oorspronkelijke doel.

De Zwitser Marc-Olivier Wahler biedt een mooi voorbeeld. Voordat hij in 2019 directeur werd van het MAH in Genève liet hij al sporen na als directeur van onder meer het Palais de Tokyo in Parijs, het Swiss Institute in New York en het MSU Broad Art Museum in Michigan. Hij staat bekend om zijn visie op het museum als een levend ecosysteem: een plek waar kunst, publiek, experiment en nieuwe vormen van samenwerking elkaar voortdurend beïnvloeden. Hij ziet zijn rol als museumdirecteur als die van een ‘entrepreneur’ en richtte verschillende kunstcentra, een magazine, een sculpturenpark, een webradio en artistieke ontmoetingsplekken op. “De inhoudelijke vernieuwing koppelt hij aan een brede blik op financiering, publiekswerking en institutionele ontwikkeling, steeds met aandacht voor innovatie, diversiteit en nieuwe stemmen binnen de kunstwereld.” Het zijn zijn eigen woorden, maar die koppelt hij wel degelijk met daden, zo bewijst hij in het MAH, een museum dat niet enkel kunst herbergt, maar eveneens dienst doet als archeologisch museum en, met 650.000 objecten, ook een rijke blik biedt op de grote geschiedenis. Een wat oubollig museum dus, niet meteen het toonbeeld van vernieuwing. Tot Marc-Olivier er directeur werd.

Van meet af aan was het zijn bedoeling om er een ‘open’ museum van te maken, los van hiërarchie of standaarden. Hij bant de vaste tarieven, iedereen betaalt wat hij wil – waardoor de inkomsten van het museum prompt met 30% stijgen, ondanks het feit dat 80% van de bezoekers niet betaalt voor zijn toegang. In het museum worden yoga-, pilates- en ‘museumtherapie’-lessen gegeven, je kan er zelfs bloed doneren of je laten hypnotiseren. Tangolessen, performances allerhande en zelfs de mogelijkheid om te ‘speed daten’ met een kunstwerk, het zijn initiatieven die ertoe leidden dat het publiek nu voor de meerderheid uit 25-35-jarigen bestaat. Hij heeft oog voor de langetermijn. Binnenkort sluit het museum voor renovatiewerken die vijf jaar zullen duren, maar die van deze ‘tempel’ een meer toegankelijke plek wil maken waar ook toevallige passanten zich toe uitgenodigd voelen om binnen te stappen.

Meer nog dan deze initiatieven is het zijn kijk op de collectie zelf. Hoe maak je de talrijke objecten uit het museum weer boeiend voor het actuele oog? Elk jaar nodigt hij een kunstenaar uit om de collectie op een originele manier te presenteren. Een jaarlijkse ‘carte blanche’ die soms tot verwondering leidt, maar vermoedelijk even talrijke wenkbrauwen doet fronsen. Wim Delvoye, Ugo Rondinone en Carol Bove kregen de laatste jaren de eer; dit jaar is het aan de Zwitserse kunstenaar John M. Armleder, die ondanks de klassieke indeling van de zalen (‘autoportretten’, of ‘beelsten’) er telkens een heel eigen manier van kijken aan koppelde, door de opstelling, maar evengoed door de interventies in de ruimte zelf – zo installeerde hij in een van hen een discobal.

Of het MAH onder Wahler het ideale museum is, valt te betwisten. Maar misschien is dat net het punt. Een museum dat niemand onverschillig laat — dat wenkbrauwen doet fronsen én deuren opengooit voor een nieuw publiek — doet precies wat een museum zou moeten doen: nadenken uitlokken, ook over zichzelf.


Comments

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *