De verkaveling van het kunstlandschap, een onbegrijpelijke beslissing…

Als goede Vlaming zijn we gek op verkavelen. Netjes afgelijnde perceeltjes uittekenen om de grenzen van ons eigendom af te bakenen van dat van de buren, het is vermoedelijk een overblijfsel uit tijden waarin struikrovers in de onverlichte nacht nog op de loer lagen om pluimvee te stelen, of van buren die uit jaloezie of om andere redenen op sluikse wijze ongestraft stukjes grond inpalmden.

Gaandeweg is het perceeltje dat we bezitten een stuk van onze identiteit geworden. We zijn wat we hebben. Het idee is niet nieuw, het is al sluimerend in ons DNA gekropen. Ook in de kunstwereld dus, al is het wat trager. Collectioneurs en opdrachtgevers bestaan er al eeuwenlang, en de notie om een stad te verbinden met een kunstenaar – en andersom – eveneens. Zelfs musea ontsnappen niet aan de trend. Je hoeft maar de namen Beyeler, Prado of Voorlinden te noemen om ze meteen met een stad of streek te associëren.

In tijden van citymarketing is dat vermoedelijk een goede zaak voor een stad: voeding voor het eergevoel van de burgers, maar vooral als attractiepool. Dat dit eergevoel gekrenkt wordt wanneer een museum wordt weggenomen, of minstens de relevantie ervan grotendeels wordt uitgevlakt, is dan ook een logisch gevolg.

We leven echter in tijden van besparen en rationaliseren. Twee termen die wat ongemakkelijk aanvoelen in de cultuurwereld, waar marktlogica om emotionele redenen ongepast lijkt, ook al beantwoordt een flink deel van het wereldje aan kapitalistische dynamieken, omdat kunst fundamenteel aan menselijke waarden raakt.

Het feit dat je in je nabijheid de mogelijkheid hebt om een museum binnen te stappen en nieuwe zaken te ontdekken, maakt mij alleszins warm – niet enkel omdat ik er zelf van geniet, maar omdat ik besef dat ook anderen hierdoor in contact komen met nieuwe manieren van kijken, zien en beleven, waar ze ontzettend veel uit kunnen puren. Het compartimenteren van deze beleving voelt daarom als een verarming. Maar ook naast de emotionele overwegingen zijn er argumenten die het zicht op de logica achter de recente beslissingen vertroebelen.

Waar de die-hard liefhebber van hedendaagse kunst vroeger op een maand expo’s kon bezoeken in verschillende steden, lijkt het me weinig voor de hand liggend dat hij of zij tweemaal per maand naar dezelfde expo in hetzelfde museum zal trekken, ook al varieert dat het aanbod met talrijke mini-expo’s. In totaal zullen er dus vermoedelijk minder bezoekers naar musea komen. En naast het mercantiele is er het sociale aspect. Het kind, de zwakkere of de eenzame die op een museumdag zich gaat vergapen aan een wereld vol emoties die voor hem of haar anders onbereikbaar zouden blijven – voor vermaak, heil of troost – zal heus niet naar een andere stad trekken om daar diezelfde emoties te zoeken.

Dat er gerationaliseerd wordt, is op zich een goede zaak. Te veel collecties van musea worden onderbenut, om nog maar eens een vies woord te gebruiken. Dat ze meer en op meerdere locaties te zien zijn, kan enkel positief uitdraaien. Het verkavelen van steden in specifieke kunstdomeinen is daarentegen een beslissing die tegen de logische stroom ingaat.

Zijn er dan andere manieren om te rationaliseren? Vermoedelijk wel. Maar tussen alle mogelijkheden lijkt het verkavelen van de kunstbeleving rond steden met hypergespecialiseerde musea mij niet de meest treffende keuze – noch economisch, noch, wat erger is, sociaal.

Als we echt willen besparen én tegelijk verrijken, ligt de oplossing niet zozeer in afbakenen, maar in het samenwerken: collecties laten reizen, musea in elkaar laten overvloeien, kunst dichter bij zoveel mogelijk mensen brengen. Kunst wint pas aan betekenis wanneer ze gezien en gedeeld wordt, niet wanneer ze wordt verkaveld.


Comments

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *