Bart Verschafel – ‘Gezien de verte’, voor fijnproevers

‘Kunstfilosoof’ — geen eenvoudig beroep. Ik spreek niet uit ervaring, maar na jaren de gedachten van anderen te hebben opgenomen, durf ik de stelling aan. Wie als kunstfilosoof meer wil doen dan de historiek herhalen — van Plato tot de postmodernisten — moet iets durven én kunnen toevoegen aan het debat, zonder kunstcriticus te worden en oordelen te vellen over werken of makers. Een dunne lijn om te bewandelen.

Die grens is overigens niet scherp. Vanuit de analyse van een kunstwerk begeef je je al op filosofisch terrein, zij het inductief. Elke criticus is in zekere zin filosoof. Omgekeerd is het fair dat filosofen ook over kunst spreken, niet als abstract begrip maar als concreet resultaat. Het verschil zit vooral in het onderzoeken van waarde versus betekenis, in de aard en natuur van het kunstwerk.

Filosofen die tussen beide polen bewegen, leveren vaak boeiende inzichten. Gezien de verte, het nieuwe boek van Bart Verschaffel, emeritus hoogleraar aan de UGent en kunst- en architectuurtheoreticus, is daar een mooi voorbeeld van. De teksten verschenen tussen 1997 en 2024 in uiteenlopende publicaties en vormen geen coherent geheel, zo geeft hij toe. Maar juist dat maakt het interessant: in 240 pagina’s uiteenlopende invalshoeken bijeen, allemaal het resultaat van jarenlang denkwerk. Hoe divers de thema’s ook zijn, er ontstaat toch een onderliggende samenhang.

Soms neemt dat verrassende vormen aan. In een hoofdstuk over Hamlet ziet Verschaffel de protagonist als pre-existentialist, misschien zelfs vroege postmodernist. In een ander, rijk uitgesponnen hoofdstuk over Marc Sleens Nero schetst hij de strip als een Vlaamse remake van het Griekse pantheon.

Het meest intrigerend vond ik de hoofdstukken over kunst en esthetica. In het eerste licht hij de functielagen van een kunstwerk toe: als beeld op zich; als drager van informatie (“kunst hoeft niets te zeggen, maar ze kan niet nergens over gaan”); of als esthetisch fenomeen (Blanchot: een kunstwerk “transformeert de dingen tot een gelijkenis zonder origineel”). Welke laag je ook kiest, kunst is altijd poëtisch: de ware boodschap ligt voorgoed besloten in het werk, buiten bereik van de kijker. “Het werk wordt ervaren als een enigma… een probleem dat zelf zijn oplossing belooft.”

In Rien de pur borduurt hij daarop voort, vertrekkend van de mythe van Apollo en Daphne. Zoals Daphne op het nippertje ontsnapt aan Apollo’s handen, zo ontsnapt ook het kunstwerk aan de kijker. Met Barthes (“kunst is datgene waarvan ik uitgesloten ben”) stelt hij dat artistieke schoonheid een verlangen oproept dat geen gemis is, maar de dichtst mogelijke nabijheid van iets dat steeds ontglipt.

In een ander hoofdstuk beschrijft hij de lastige positie van de kunstcriticus in tijden van digitale overdaad: “De zin voor reflexiviteit moet het steeds meer afleggen tegen het verlangen naar intensiteit, directheid en contact.” Toch kan de criticus nog altijd waarde toevoegen, simpelweg door aandacht te richten op een werk. In een wereld waar alles tegelijk om aandacht schreeuwt, kan de criticus de blik van de lezer vasthouden, puur vanuit het effect dat het werk op hem heeft — los van de ene canonieke interpretatie die men aan de maker toeschrijft.

Zo krijgt kunstkritiek nieuwe ruimte én verantwoordelijkheid: orde scheppen in de ruis en de vluchtige blik vertragen. “De criticus moet de lezer ervan overtuigen dat een kunstwerk een gesprek waard is… Die tekst hoeft niet waar te zijn, maar moet wel aan het werk kleven, en op zichzelf interessant zijn om te lezen.” Het klinkt haast als een manifest voor de hedendaagse kunstcriticus.

Bart Verschaffel, – Gezien de verte

A & S/Books

(EAN):9789076714714

256p


Comments

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *