Wie zich op een of andere manier verdiept in de kunstgeschiedenis wordt vroeg of laat – ik wrijf het nog even uit mijn ogen – verliefd op een beeld. Niet noodzakelijk op de afgebeelde persoon, al kan dat natuurlijk ook, maar op het beeld zelf: op het evenwicht dat erin gezocht en soms gevonden wordt; op de compositie, die soms meer dan het tafereel een tot het bot treffende boodschap overdraagt; op de emoties die in gezichten, houdingen of kleuren schuilen en iets uit onszelf losweken waarvan we de aard of zelfs het bestaan niet eens kenden of vermoedden.
Die gedachte drong zich op bij de ontmoeting met de werken van Nele Boudry, momenteel te zien bij Intra-Muros in De Pinte. “Confrontatie” is een te hard woord voor wat ze probeert te bewerkstelligen; “uitnodiging” klinkt dan weer bijna te banaal. De sleutel ligt misschien in hoe ze zelf naar haar werk kijkt: ze spreekt over een empathie met de bekende figuren uit oude schilderijen, die ze eindelijk rust wil geven, of die ze opnieuw verbeeldt om hun starre verschijning te verzachten.
Het is een merkwaardige gedachte, dat je empathie zou kunnen voelen voor een beeld, hoe bekend dan ook. Een beeld is per definitie emotieloos; in strikte zin zou je daar geen empathie mee kúnnen voelen. Het zal iets te maken hebben met spiegelneuronen of een andere neurologische verklaring, maar het feit dat een beeld emoties bij ons losmaakt, wijst hoe dan ook op een vorm van projectie: een herkenning van onze eigen gemoedstoestand, die weliswaar bij elke toeschouwer anders is maar het resultaat is van een gelijkaardig fenomeen. We kijken, maar tegelijk worden we terug aangekeken door iets in onszelf.
Intrigerend wordt het pas echt wanneer je je het beeld eigen maakt en het aanpast, wanneer je een figuur bewust rust gunt of zachter wil tonen dan wat de eerste blik te bieden heeft. Dat is precies wat Boudry doet. In haar recente werk wordt dat nog versterkt doordat ze de beelden in nieuwe, gedurfde formaten dwingt die de figuren bijna letterlijk uit hun historische context duwen. Het gaat verder dan empathie: je ziet hoe zij het beeld toe-eigent, het zelfbewustzijn erin projecteert en de oude voorstellingen het heden in trekt. De figuren blijven herkenbaar, maar hun gewicht verschuift door de interventie van Nele: ze worden minder icoon, meer mens.
In barre tijden lijkt de gedachte aan een nieuwe renaissance plots minder vergezocht. Het mag dan ook niet verwonderen dat Nele de stijl van de quattrocento-kunstenaars als referentie kiest: om zichzelf uit te dagen, zeker, maar ook – misschien niet eens helemaal bewust – om de idee die zij belichamen opnieuw op te roepen: het geloof in de capaciteit van de mens om zichzelf te vormen en te verbeteren. Dat humanistische vertrouwen lijkt vandaag steeds vaker uitbesteed aan mechanismen die we niet meer echt meester zijn, wat de boodschap des te prangender maakt. Bij Nele keren die oude vormen terug, niet als nostalgie, maar als stille vraag: wat durven we nog zelf in handen nemen?
Het lijkt ook een teken van de tijd: het is de derde keer in enkele weken dat ik een hedendaagse kunstenaar La mort de Marat van Jacques-Louis David zie herinterpreteren. Bij Nele komt de revolutionair zelf niet in beeld, enkel zijn bad en – in plaats van de brief en de stoel – een reusachtige appel. De vette knipoog kan de onderliggende ernst niet verbergen. De appel is alledaags, huiselijk bijna, maar plaatst zich naast de beladen leegte van de afwezige figuur. Je kan er tegelijk een nood aan een nieuwe denkwijze in lezen, een radicale herijking, én de moord op de revolutionaire gedachte zelf: de schreeuw van het volk die gehoord wil worden in een luide wereld, maar niet meer de juiste woorden vindt, platgewalst onder de dikke stroom van voorgekauwde paradigma’s.
Nieuwe stemmen zijn nodig, ook in die luide wereld. Dat ze hun bron vinden in traditionele, zelfs antieke representaties, maakt ze niet minder actueel – integendeel. Misschien zit precies daar de kracht van Boudry’s werk: in de betekenisvolle stilte tussen oude beelden en nieuwe blikken, waar hoop niet luid wordt uitgeroepen, maar voorzichtig wordt gesuggereerd. Die hoop, en die zachter gemaakte menselijkheid, koestert zij in haar omgang met de beelden. En wij, als kijkers, worden uitgenodigd om mee te koesteren, en om onze eigen stem daarin terug te vinden.






©TheArtCouch

Leave a Reply