De -Westerse- kunstgeschiedenis staat niet meteen bekend om het inclusieve beeld dat ze van de mensheid schetst. Allerhande bevolkingsgroepen worden er vaak, en systematisch, weergegeven als passief onderworpen object. Voor vrouwen is deze vaststelling nog zorgwekkender, zo blijkt uit de analyse van kunsthistorica Catherine McCormack. Niet enkel werd hun stem geweerd uit de canon van de kunstgeschiedenis, gewoonweg omdat ze er geen plaats kregen, maar de beeldvorming die mannelijke kunstenaars doorheen de kunstgeschiedenis van de vrouw schetsten, is op zijn minst eenzijdig en problematisch.
In Women in the Picture analyseert de schrijfster de gevolgen van deze beeldvorming aan de hand van drie dominante thema’s in de kunstgeschiedenis: Venus, Maria en de vrouw in de moderne kunst. De analyse is verontrustend, ook voor mensen die zich al bewust zijn van – en gevoelig zijn voor – het onevenwichtige beeld dat we doorheen de kunstgeschiedenis kregen ingelepeld, en nog steeds ingelepeld krijgen: je hoeft slechts om het even welk museum van oude (en zelfs moderne) kunst te bezoeken om je hiervan te vergewissen.
Het probleem heeft zich heel subtiel genesteld in ons bewustzijn, zo toont McCormack aan. Schilderkunst is bij uitstek een kunstvorm die erin slaagt de brutaliteit of dubbelzinnigheid van thema’s onder een dikke laag esthetische zalf te verhullen voor het grote publiek, waardoor veel van de latente boodschap verloren gaat, maar zich niettemin een onuitwisbare weg baant tot in het collectieve onderbewuste.
Het begint al met de beeltenis van Venus. Door Botticelli, Titiaan of Rubens tot eeuwen trotserende iconen geschilderd, dermate dat ze nu als ornamenten op handtassen en toeristenshirts prijken. Maar wat krijgen we te zien? De smetteloze, gladde huid van de vrouw dient op zich al – bewust of onbewust – als rolmodel voor talrijke dames (en heren), maar op een subtieler niveau is het een bevestiging van de vermeende suprematie van de man, al was het maar omdat Venus geschapen werd uit de genitaliën van de – uitsluitend mannelijke – god Uranus. De vrouw als voortkomend uit, en dus ondergeschikt aan, de mannelijke viriliteit, wordt afgebeeld als het maagdelijke, onaantastbaar perfecte ideaalbeeld, maar laat in de afbeelding ervan de onuitwisbare indruk achter van haar beschikbaarheid, van een seksuele beleving die enkel in dienst staat van de man: “I have the feeling that we’ve become so used to Venus’ knowing performance of sexual availability that this has become synonymous with female sexuality itself, while more realistic, nuanced or complex images of women’s sexuality are often censored or obscured, and certainly draw celebration and attract less value.” Venus voelt volgens McCormack geen lusten of belevingswereld op zichzelf, ze beleeft geen autonome wil of drift, maar biedt zich enkel aan de lust van een derde – de mannelijke blik, of de kijker in het algemeen. Het is een vaststelling die bij nader inzien wel vaker doorheen de kunstgeschiedenis sijpelt.
Zelfs in de moderne kunst. Het beeld van de vrouw, ontdaan van enige externe reden tot bestaan, wordt bestendigd in het beeld dat de impressionisten ervan schetsen: overwegend omsloten in een huiselijke sfeer, dan weer met zicht op de wijdere omgeving door het – symbolische – raam, dat haar wel uitzicht biedt, maar niet de mogelijkheid geeft om die wereld te ontdekken. De vrouw wordt – door mannelijke schilders – veroordeeld tot een wat mysterieuze maar al bij al wezenloze, hoofdzakelijk interne beleving. De weinige vrouwelijke kunstenaars tonen, schuchter, dat deze beleving tussen vier muren niettemin een weelde aan leven insluit: “Her canvases present figures of women dissolving amid a flock of thick confetti of her brushstrokes, revealing a flow of consciousness under the surface as the boundaries between interior identity and outward appearance evanesce in colourful, loosely stitched tapestries of paint,” schrijft McCormack over de kunst van Berthe Morisot. In de meerderheid van de ‘moderne’ kunst krijgt de man, net als in het leven buiten de kunst, de rol toebedeeld van ontwikkeling, de vrouw die van behoud. Geen wonder dat kunstenaars als Mierle Laderman Ukeles hier jaren later expliciet naar verwijzen in hun werk.
Het wordt echter complexer, en in zekere zin dramatischer, bij het beeld dat de kunstgeschiedenis schetst van de Heilige Maagd Maria. Wit en smetteloos, zelfs – en misschien hoofdzakelijk – in haar lijden. Kijk hoe ze het lijden draagt, lijkt de iconografie als voorbeeld te willen stellen aan àlle vrouwen: trots, zwijgzaam, waardig en stil. Het is een kijk op de vrouw die langzaam maar zeker is doorgedrongen tot het algemene – Westerse – beeld van de vrouw, en niet omgekeerd, zo toont McCormack aan: “Western perceptions of mothers has been shaped by images of Mary that have crossed over into secular visual culture. This means that the way mothers look on the surface is still an indication of how good they are.” Het beeld van Maria toont hoe een vrouw zich behoort te gedragen – tot het uiterste van wat menselijk haalbaar is. Het beeld schetst een ethisch principe, een onmogelijk ideaal dat niettemin eeuwenlang aan (echte) vrouwen werd opgelegd, maar evengoed een normalisering van het geweld tegen vrouwen: “At best, the maiden archetype has enshrined female suffering as something noble and beautiful, at worst it has contributed to the normalization of violence against women, by turning it into poetry, religious devotion or beauty, or even just a historically condoned inevitability.”
Hiermee raakt McCormack de kern van haar betoog. De kunst die we krijgen ingelepeld in de overgrote meerderheid van de musea – en die we dus bewust of onbewust als deel van onze cultuur zijn gaan beschouwen, dermate dat de beelden tot banaliteiten zijn verheven – bestendigt de clichés die we allemaal over het beeld van de vrouw hebben. Een belangrijke boodschap voor musea, al blijft de vraag hoe ze deze invloed kunnen ombuigen zonder meteen alle kunstwerken uit de kunstgeschiedenis uit de musea te weren.

Catherine Mccormack, Women in the Picture: Women, Art and the Power of Looking
Uitgeverij Faber & Faber
304p.
ISBN 978-1785786952
Leave a Reply