(Roman zoekt uitgever m/v) De Aarzeling – genese van een oeuvre

In 2026 voltooide ik mijn eerste roman. Het is de eerste van een reeks waarin telkens kunst of kunstenaars een centrale rol spelen.

De Aarzeling – genese van een oeuvre volgt de wording van een kunstenaar, Martha M., die ondanks de druk, de weliswaar wispelturige belangstelling van de kunstmarkt en de hardnekkige invloeden van buitenaf haar eigen zin blijft doen.

Het verhaal pretendeert daarbij geen afgerond portret te bieden. Sommige denksporen lopen dood, andere blijken achteraf irrelevant, weer andere krijgen pas veel later betekenis. Met horten en stoten ontstaat zo het beeld van een eigenzinnige kunstenares wier diepste motieven grotendeels onbekend blijven – misschien zelfs voor haarzelf. Een hedendaagse belichaming van l’art pour l’art, al laat ook die omschrijving zich tijdens het verhaal voortdurend betwijfelen.

De roman wordt verteld vanuit vijf verschillende personages, verspreid over drie fases in Martha’s ontwikkeling. Elk van hen kijkt vanuit een eigen positie naar haar en haar werk, met een eigen stem, eigen belangen en een eigen vertelstijl. Wat daaruit ontstaat, is minder een sluitende biografie dan een verzameling perspectieven op een kunstenaar die zich telkens opnieuw aan een definitieve interpretatie onttrekt.

Het manuscript telt 59.154 woorden.

Hieronder lees je het eerste, korte hoofdstuk, dat als introductie tot het verhaal dient.


Martha trachtte al enkele dagen, weken of maanden misschien, haar gedachten te ordenen, een logica te ontwarren achter gebeurtenissen die zich niet achtereenvolgens opstapelden, gehoorzamend aan de wetten van causale verbanden, maar simultaan leken te hebben plaatsgevonden, vermengd in een betekenisloze brei die wel moest uitmonden in wie ze nu was, op de plek en het tijdstip waarop ze zich nu de vraag stelde naar de betekenis van de recente gebeurtenissen, een compacte brei die nooit enig teken bevatte van wat er komen zou. Ze had zich al de vraag gesteld of er wel zoiets bestond als betekenis, of het niet juist menselijker is om zonder betekenis door het leven te gaan, vrij van het wanhopige zoeken naar relevantie en zin.

Tonight’s the Night speelde al enkele uren in herhaling, terwijl ze haar gedachten tot een lijn, een vorm of een kleur trachtte te reduceren. Het lukte haar niet. Al dagen niet. Haar persoonlijke evolutie leek samen met haar artistieke abrupt tot stilstand te zijn gekomen. Vermoedelijk zocht ze daarom naar een volgorde in de gebeurtenissen, een volgorde die haar hand op een natuurlijke manier zou begeleiden in haar volgende stap. In haar hoofd had ze er al zovele gezet, talrijke wendingen die verzamelaars en critici steeds wisten te verrassen en verbazen; steeds hinkten ze achter op haar nieuwe stappen, nieuwe technieken en thema’s die ze exploreerde terwijl de vorige reeks amper verteerd was door het wereldje, zoals ze de meute noemde die galerieën afschuimde op zoek naar nieuwe redenen om in extase te geraken en hun extase met anderen te kunnen delen, de waan van de dag volgend als slaafse volgelingen die zich laven aan om het even welk idee van een ander en dit, hoe oppervlakkig of inhoudloos ook, voor waar aannemen, gretig becommentariëren en zogenaamd deskundig analyseren, zonder te zoeken, zonder mee te wroeten in de twijfels en de aarzelingen, zonder zelf ooit de eindeloze strijd aan te gaan die in de eenzaamheid van de verf vervat ligt.

Haar huidige staat maakte haar boos, wist ik uit ervaring, hoewel die helemaal niet nieuw was. In haar hoofd tolden woorden die onbedoeld hard en gemeen waren, maar waarin, zoals steeds, een grond van waarheid zat die ze voor zichzelf als een verzachtende omstandigheid beschouwde. Het zijn woorden die ze nooit uitsprak, die haarzelf als onderwerp hadden en hoofdzakelijk tot haarzelf gericht waren, al was er in de woorden die ze tot zichzelf richtte nooit sprake van zelfbeklag of zelfkastijding. Ze waren nuchter. Bloedeerlijk.

Moedeloos liet ze haar lichaam neervallen in de fauteuil die ze, zoals haar gewoonte was, voor het enorme doek had geplaatst, en keek naar de twee strepen die ze er reeds op had aangebracht. Ze was nooit eerder zo begonnen, met twee strepen als uitgangspunt, zonder idee van welke richting uit te gaan, alsof ze zich zonder exacte bestemming naar eender welk station begaf en op de eerste trein die vertrok was gestapt zonder na te gaan waarheen die reisde of hoelang het zou duren vooraleer de volgende stop werd bereikt. Doorheen haar carrière had ze de gewoonte gekweekt om zorgvuldig te plannen, pagina’s te vullen met schetsen om de positie van de vormen precies zo te bepalen dat het geheel leek te kloppen, dat het exact, compromisloos overeenkwam met het effect dat ze wou sorteren.

Ongewild, een beetje tegen de natuurlijke stroom van haar gemoedstoestand in, glimlacht ze bij die gedachte. Het lijkt me geen geforceerde glimlach. De nonchalante pose die ze heeft ingenomen in de fauteuil, langoureus en uitnodigend, heeft niets weg van de starre, uiterst geconcentreerde houding die ze aanneemt wanneer ze aan het werk is. Misschien is de glimlach het resultaat van de intense spanning waarmee ze in de loop van de laatste twee dagen die twee luttele lijnen — vegen zijn het, nu ik er goed naar kijk — heeft geproduceerd. De glimlach zal haar hebben overvallen, vermoed ik, al kan het evengoed het resultaat zijn van een uit de hand gelopen mijmering, wanneer ze over haar oeuvre nadenkt en het gebrek aan richting of uitkomst waarin ze nu verzeild is geraakt haar een soort rust biedt, een troostende vorm van gelatenheid.

Ik heb haar wel eerder in zo’n toestand gezien. Het komt dus niet geheel als een verrassing om haar, op dit punt gekomen, in deze halfstaat van gemoed aan te treffen. Wanneer ze een nieuwe fase in haar oeuvre aanvangt, stelt ze zichzelf steevast volledig en onvoorwaardelijk in vraag, alsof al het eerder verrichte werk, alle stappen die ze in haar kunstenaarscarrière heeft gezet, er niets toe deden, alsof de weg die ze heeft afgelegd om tot dit punt te komen niets te betekenen heeft gehad.

Het is uiteindelijk een kracht gebleken, die ze in haar kunstenaarsbestaan regelmatig aanwendde om nieuwe wegen in te slaan, tegen de logische volgorde der dingen in te gaan, moedwillig misschien, uit eigenzinnigheid of ongepaste tegendraadsheid, die niet in haar genen is gebrand maar al van kinds af aan een gedragskenmerk was dat zich met het verstrijken van de jaren heeft ontdubbeld, verveelvoudigd eigenlijk, maar haar ook tot een staat bracht waarin ze niet anders meer kon, waardoor zelfs deze weerbarstigheid, deze drang om iets onverwachts te doen, deel is gaan uitmaken van de verwachtingen van haar publiek. Een uitputtende kracht, zeker, maar het succes dat ze in haar leven verworven heeft, heeft ze hier veel meer aan te danken dan aan het, al bij al — vergeleken met de talrijke andere, minder succesvolle maar veel begaafdere kunstenaars — gebrekkige artistieke talent. Niet onbestaand, dat niet. Maar je ziet in de verfklonters op het doek, zelfs jaren na haar eerste werk, nog steeds de hardnekkige twijfel van haar eerste streken, zo’n veertig jaar geleden intussen.

De bewonderaars en verzamelaars vergaven haar die aarzelingen, of misschien vonden ze er enige charme in, wie ben ik om dat te weten. Ondanks het succes bleef de aarzeling en zelfvertwijfeling haar een leven lang achternazitten, tot het nagenoeg een karaktertrek werd, wat uiteindelijk inging tegen de natuurlijke stroom der dingen: waar gewone mensen met de leeftijd juist standvastiger en zelfverzekerder worden, of ten minste meer grond onder hun voeten hebben gebracht en die flink hebben aangestampt, namen bij haar de twijfels gaandeweg de bovenhand, tot ze haar geheel inpalmden. Voor zover ze grond onder haar voeten had weten op te hopen, zo dacht ze, bleek die uiteindelijk niet veel meer dan drijfzand.

Ik heb haar dus wel vaker in zo’n staat aangetroffen; het hoeft me niet zozeer ongerust te maken, zelfs al stemmen de purperen zwellingen in haar aangezicht en de tot droge plakken vlees vervormde lippen me tot het besef dat er iets is geknakt in haar, dat iets is gewenteld of gekapseisd in haar zelfbeleving, in de manier waarop ze tegenover zichzelf staat in dat hogere, parallelle universum waarin ons zelfbewustzijn zich bevindt. Haar ogen had ik wel eens droef gezien, maar nooit terneergeslagen, haar lippen wel moedeloos of gelaten, maar nooit zo afwezig, haar handen wel doelloos, maar nooit lusteloos.

Het stemt me triest om haar zo te zien, niet zozeer omdat ze me dierbaar zou zijn — tot op zekere hoogte is ze mij dat ook — maar omdat het een ongewone wroeging in mij oproept. Misschien draag ik deze keer enige schuld aan de toestand van ultieme vertwijfeling waarin ze heden vertoeft.



Comments

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *