Als zij-instromer met 2,5 jaar ervaring in ASO, TSO en BSO – om de oude (en al bij al makkelijkere) benamingen te gebruiken – stel ik me geregeld de vraag of dat onderscheid vandaag nog terecht is. Sinds vorig jaar geef ik intensief les in de dubbele finaliteit, waarvan het overgrote deel van de leerlingen er is terechtgekomen via het watervalsysteem. Toegegeven: de meerderheid is opgelucht verlost te zijn van de hoge druk in de doorstroom – vooral van de wetenschapsvakken. Hoewel ze het gevoel hebben op de juiste plek te zitten, voel je latent nog een levendige frustratie omdat ze als tweederangsleerlingen worden gezien.
Vermoedelijk zit er weinig academisch materiaal tussen mijn leerlingen – al weet je nooit – maar zonder uitzondering willen ze verder studeren. Uit de studie die ik voor mijn masterproef deed, blijkt alleszins dat dat geen noodzakelijke voorwaarde is (spoiler: 40% van de vacatures binnen mijn vakdomein, PR en communicatie, vereiste geen specifiek diploma, of vermeldde ‘gelijkwaardig door ervaring’). Op papier zouden mijn leerlingen na het middelbaar ‘inzetbaar’ zijn – om dat vieze woordje te gebruiken. Op papier. In werkelijkheid zou er niet veel nodig zijn om hen echt inzetbaar te maken. Er is duidelijk vraag naar en nood aan onmiddellijk beschikbare werkkrachten, zo beamen ook de recente communicatiecampagnes van VOKA.
In professionele ‘human capital’-kringen wordt al geruime tijd gesproken van ‘T-shaped’ competenties: een brede basis gekoppeld aan een diepere kennis van een specifiek domein. In die zin kunnen veel technische richtingen alvast voldoen aan die concrete verwachtingen. Vanuit de hoogte van mijn beperkte ervaring durf ik stellen dat het ‘algemene’ in de dubbele finaliteit niet hoeft te verbleken naast het ‘algemene’ in de wetenschappelijke richtingen. In zekere zin is het misschien zelfs algemener, gezien de vrijheid die ik (binnen mijn vakdomein toch) geniet om een eigen invulling te geven aan de leerplandoelen en deze dus heel praktisch vanuit mijn eigen professionele ervaring kan vormgeven – al betekent dat op zijn beurt weer een zekere vernauwing.
Ik weet dat vergelijken lastig – zo niet onmogelijk – is. De dubbele finaliteit waarin ik les geef, heeft enkel betrekking op toekomstige ‘white collar’-werknemers, al kunnen ze in de praktijk nog alle richtingen uit.
Vermoedelijk zullen mijn leerlingen later grotendeels verdwijnen in de statistieken van de verdere leercarrière. Ik kan de 40% die na een jaar hoger onderwijs zal afhaken er grosso modo uitpikken (voor de fans van statistiek: met een zekerheidsmarge van 90%). Weer een frustratie op hun conto – om het even de reden van hun afhaken.
De vraag van de professionele markt (binnen mijn vakdomein) indachtig, zie ik een relatief eenvoudige oplossing: geef leerlingen de optie om een 7e jaar te volgen waarin ze, via stages van telkens een maand (regelmatig onderbroken door theoretische omkadering), concrete werkervaring opdoen. Er bestaat weliswaar een verplichting tot stage en werkplekleren in de derde graad, maar ik weet inmiddels uit ervaring dat het onmogelijk is om twintig halve dagen zinvol in te vullen – of zelfs maar een waardevolle stageplek te vinden voor zo’n korte periode.
Waar ligt de win-win? De overbelasting van de graduaat- en bacheloropleidingen zou deels worden opgevangen. Maar vooral: met die ervaring op zak zouden leerlingen makkelijker onmiddellijk aan het werk kunnen, mochten ze beslissen om niet verder te studeren. Nu voelen velen verder studeren nog als een verplichting, om toch maar iets extra’s op zak te hebben bovenop hun middelbaar diploma – terwijl de ambitie om echt verder te studeren voorlopig ontbreekt.
Een jaartje werkelijk duaal leren, ook na hun diploma, zou zowel het brede onderwijs als vele jongeren vooruithelpen.

Leave a Reply